Függelék:Holland Swadesh lista

A Wikiszótárból, a nyitott szótárból
Ugrás a navigációhoz Ugrás a kereséshez

Függelékek


English holland Afrikaans
1 I ik ek
2 thou
(singular)
jij, je jy
3 he hij hy
4 we wij, we ons
5 you
(plural)
jullie julle, u
6 they zij, ze hulle
7 this deze, dit dié, hierdie
8 that die, dat dat
9 here hier hier
10 there daar daar
11 who wie wie (interrogative)
12 what wat wat (interrogative)
13 where waar waar (interrogative)
14 when wanneer wanneer (interrogative)
15 how hoe hoe (interrogative)
16 not niet nie
17 all al, alle alle
18 many veel baie
19 some enkele, sommige enkele, sommige
20 few weinig min
21 other ander ander
22 one een een
23 two twee twee
24 three drie drie
25 four vier vier
26 five vijf vyf
27 big groot groot
28 long lang lang
29 wide breed, wijd wyd
30 thick dik dik
31 heavy zwaar swaar
32 small klein klein
33 short kort kort
34 narrow smal nou
35 thin dun dun
36 woman vrouw vrou
37 man
(adult male)
man man
38 man
(human being)
mens mens
39 child
(a youth)
kind kind
40 wife vrouw, echtgenote vrou, gade
41 husband man, echtgenoot man, eggenoot
42 mother moeder moeder
43 father vader vader
44 animal dier dier
45 fish vis vis
46 bird vogel voël
47 dog hond hond
48 louse luis luis
49 snake slang slang
50 worm worm wurm
51 tree boom boom
52 forest woud woud, bos
53 stick
(of wood)
stok stok
54 fruit fruit, vrucht vrug
55 seed zaad saad
56 leaf blad blaar
57 root wortel wortel
58 bark
(of tree)
schors bas
59 flower bloem blom
60 grass gras gras
61 rope touw, koord tou
62 skin
(of a person)
huid vel
63 meat
(as in flesh)
vlees vleis
64 blood bloed bloed
65 bone been been
66 fat
(noun)
vet vet
67 egg ei eier
68 horn hoorn horing
69 tail staart stert
70 feather
(rather not down)
veer veer
71 hair haar haar
72 head hoofd, kop kop
73 ear oor oor
74 eye oog oog
75 nose neus neus
76 mouth mond mond
77 tooth
(rather not molar)
tand tand
78 tongue tong tong
79 fingernail vingernagel nael
80 foot voet voet
81 leg been been
82 knee knie knie
83 hand hand hand
84 wing vleugel vlerk
85 belly buik maag
86 guts ingewanden ingewande
87 neck nek nek
88 back rug rug
89 breast borst borst
90 heart hart hart
91 liver lever lewer
92 to drink drinken drink
93 to eat eten eet
94 to bite bijten byt
95 to suck zuigen suig
96 to spit spuwen spoeg
97 to vomit braken, overgeven kots, opgooi
98 to blow
(as wind)
blazen waai
99 to breathe ademen asemhaal
100 to laugh lachen lag
101 to see zien sien
102 to hear horen hoor
103 to know
(a fact)
weten weet
104 to think denken dink
105 to smell
(sense odor)
ruiken ruik
106 to fear vrezen vrees
107 to sleep slapen slaap
108 to live leven lewe
109 to die sterven sterf
110 to kill doden doodmaak
111 to fight vechten veg
112 to hunt
(transitive)
jagen jag
113 to hit raken slaan
114 to cut knippen, snijden sny
115 to split splijten kloof
116 to stab
(or stick)
steken steek
117 to scratch
(an itch)
krabben krap
118 to dig graven grawe
119 to swim zwemmen swem
120 to fly vliegen vlieg
121 to walk lopen, stappen loop
122 to come komen kom
123 to lie
(as on one's side)
liggen
124 to sit zitten sit
125 to stand staan opstaan (action)
126 to turn
(change direction)
draaien draai
127 to fall
(as in drop)
vallen val
128 to give geven gee
129 to hold
(in one's hand)
houden hou
130 to squeeze knijpen druk
131 to rub wrijven vryf
132 to wash wassen was
133 to wipe vegen vee
134 to pull trekken trek
135 to push duwen stoot
136 to throw werpen, gooien gooi
137 to tie knopen knoop
138 to sew naaien naai
139 to count tellen tel
140 to say zeggen
141 to sing zingen sing
142 to play spelen speel
143 to float zweven dryf
144 to flow vloeien vloei
145 to freeze vriezen vries
146 to swell zwellen swel
147 sun zon son
148 moon maan maan
149 star ster ster
150 water water water
151 to rain regen reën
152 river rivier rivier
153 lake meer meer
154 sea
(as in ocean)
zee see
155 salt zout sout
156 stone steen klip
157 sand zand sand
158 dust stof stof
159 earth
(as in soil)
aarde grond
160 cloud wolk wolk
161 fog mist, nevel mis
162 sky lucht lug
163 wind
(as in breeze)
wind wind
164 snow sneeuw sneeu
165 ice ijs ys
166 smoke rook rook
167 fire vuur vuur
168 ash as as
169 to burn
(intransitive)
branden brand
170 road weg pad
171 mountain berg berg
172 red rood rooi
173 green groen groen
174 yellow geel geel
175 white wit wit
176 black zwart swart
177 night nacht nag
178 day
(daytime)
dag dag
179 year jaar jaar
180 warm
(as in weather)
warm warm
181 cold
(as in weather)
koud koud
182 full vol vol
183 new nieuw nuut
184 old oud oud
185 good goed goed
186 bad slecht sleg
187 rotten
(as, a log)
rot vrot
188 dirty vuil vuil
189 straight recht reguit
190 round rond rond
191 sharp
(as a knife)
scherp skerp
192 dull
(as a knife)
stomp, bot stomp
193 smooth glad glad
194 wet nat nat
195 dry
(adjective)
droog droog
196 right
(correct)
juist, correct korrek
197 near dichtbij naby
198 far ver ver
199 right
(side)
rechts regs
200 left
(side)
links links
201 at aan, te, bij by
202 in in in
203 with
(accompanying)
met met
204 and en en
205 if als, indien as
206 because omdat omdat
207 name naam naam